Samenvatting

Algehele samenvatting

Nog tijdens het leven van zijn vader geeft graaf Hendrik van Zutphen († ca. 1120) aan keizer Hendrik V (1106-1125) het leen Alzey (ten noordwesten van Worms) terug en ontvangt daarvoor een graafschap in Friesland. De oorkonde betreffende de ruil is op 28 december 1107 te Aken uitgevaardigd en is ondertekend door een groot aantal kerkelijke en wereldlijke vertegenwoordigers. Bij deze ruil wordt uitdrukkelijk bepaald dat slechts graaf Hendrik en zijn wettige erfgenamen het graafschap zouden bezitten. Mocht hij zonder wettige mannelijke nakomelingen overlijden zou bij wijze van uitzondering zijn vader graaf Otto, indien deze nog in leven was, het graafschap verkrijgen. In alle andere gevallen zou het graafschap zonder tegenspraak in handen van de koning of keizer van het Duitse Rijk terugkeren.
Door voornoemde transactie van keizer Hendrik V in samenhang te zien met een door keizer Arnulf (887-899) uitgevaardigde oorkonde, wordt vaak aangenomen dat de graven van Zutphen dit leen te Alzey hebben verworven door hun afstamming van de Lotharingse paltsgraven.  In die betreffende oorkonde van 9 juni 897 schenkt keizer Arnulf aan de St.-Pieterskerk te Worms de tienden van het koninklijke saalland in Alzey, Schafhausen, Ilbesheim, Rockenhausen en alle daartoe behorende dorpen. Deze schenking deed de keizer voor zijn eigen nagedachtenis en die van graaf Erenfried en zijn vrouw Adelgonde, aan wie deze goederen voorheen toebehoorden en die door een rechterlijke uitspraak in de palts van Frankfurt waren ontnomen.
Graaf Erenfried zou als de stamvader gelden van de latere paltsgraven van wie Ezzo († 1034) de bekendste is. Naar hem wordt deze familie aangeduid als "Ezzonen". Ezzo is een zoon van Herman, die voor het eerst in 989 als paltsgraaf wordt genoemd. Ezzo huwt omstreeks 991 met Mathilde, een dochter van keizer Otto II. Hij wist zodoende zijn vermogen aanmerkelijk uit te breiden. Zijn zoon Ludolf, die voor hem overlijdt, is volgens de Brauweiler "Fundatio" getrouwd met Mathilde, een dochter van graaf Otto “van Zutphen”.  Een veronderstelde dochter van Ludolf en Mathilde zou zijn gehuwd met graaf Godschalk, de grootvader van graaf Hendrik van Zutphen. Op deze wijze zou het leen te Alzey aan de graven van Zutphen zijn gekomen.  Echter, noch van paltsgraaf Herman, of diens zoon Ezzo, of van Ludolf is bekend dat zij enig bezit of leen hebben gehad in Alzey of de onmiddellijke omgeving.
De hierboven weergegeven traditonele zienswijze, door Rudolf Kraft in de jaren dertig van de vorige eeuw geponeerd, werd tot voor kort kritiekloos geaccepteerd en door tal van auteurs overgenomen. Hier zal nog eens nader worden onderzocht of dit laatste terecht is. Aan de hand van een onderzoek naar de eigen bezittingen van graaf Erenfried in een vergelijking met die van eventuele andere grootgrondbezitters in de omgeving, evenals naar het eigen bezit van de verschillende paltsgraven en hun erfgenamen zal worden nagegaan of het leen te Alzey van graaf Hendrik van Zutphen inderdaad langs deze weg afkomstig was van graaf Erenfried.

Graaf Erenfried en zijn vrouw Adelgonde deden in 891 een schenking aan St.-Cyriacus te Worms voor hun eigen nagedachtenis en die van hun ouders.  Het feit dat zij een precario aangaan, hun schenking met een duidelijk omschreven opdracht voorzien en deze schenking bovendien zonder toestemming van verwanten uitvoeren, geeft onomwonden aan dat zij op het moment van de schenking kinderloos waren. Dat de latere paltsgraven van hen zouden afstammen moet dan ook stellig worden ontkend. Voorts moet worden betwijfeld of de door keizer Arnulf geschonken tienden aan de bisschoppelijke kerk van Worms oorspronkelijk uit het eigen bezit van graaf Erenfried en Adelgonde kwamen. De aanduiding praedium betekent grondbezit of landgoed. In oorkonden uit de koninklijke of keizerlijke kanselarij wordt met praedium geen onderscheid gemaakt tussen eigen goed of rijksgoed, onverschillig of dit een oude bezitting betreft of dat het geconfisqueerd goed is. Omdat het in deze zaak om de confiscatie van de tienden van koninklijk saalland gaat, moet aangenomen worden dat het hier een leen betreft en zeker niet om het eigen bezit van graaf Erenfried en Adelgonde gaat.  Het is niet bekend wat de aanleiding voor de keizer is geweest om deze tienden te confis-queren en ze in 897 voor zijn eigen nagedachtenis én die van graaf Erenfried en Adelgonde te schenken aan de Petruskerk te Worms. Ook is niet duidelijk wanneer het leen werd geconfisqueerd en net zo min is bekend of graaf Erenfried en Adelgonde ten tijde van de schenking door keizer Arnulf nog in leven waren.  Hoe dan ook, in 985 zijn de tienden in ieder geval nog in bezit van de bisschoppelijke kerk van Worms. Er zijn geen oorkonden of andere bronnen die kunnen bevestigen dat de paltsgraven in deze periode enig bezit hadden in Alzey of in de omgeving daarvan.
  Eerst paltsgraaf Koenraad (1156-1195) wist de koninklijke tienden te verwerven van de bisschop van Worms. Paltsgraaf Koenraad is een zoon van hertog Frederik II van Zwaben die, samen met zijn broer de latere koning Koenraad III (1138-1152), geldt als een van de belangrijkste erfgenamen van keizer Hendrik V. Gezien het voornemen van keizer Hendrik V om zijn bezit in dit deel van het Rijngebied uit te breiden, zal ook het voormalig leen Alzey - dat hij in 1107 van graaf Hendrik van Zutphen verwierf - als allodium aan zijn bezittingen zijn toegevoegd. Deze bezittingen zullen tot zijn nalatenschap hebben behoord en een deel daarvan zal de zoon van hertog Frederik II, paltsgraaf Koenraad, hebben verworven.
Ook een uiteenzetting betreffende de andere grootgrondbezitters, die met hun eigendommen grensden aan het allodiaal goed van graaf Erenfried en zijn vrouw Adel-gonde, geeft aan dat het bezit een geïsoleerd geheel vormde. Voor eventuele erfgenamen resteerde daar geen substantiële nalatenschap die de mogelijkheid bood tot uitbreiding. Er moet van worden uitgegaan dat graaf Erenfried dit bezit door zijn vrouw Adelgonde heeft verworven en dat hij waarschijnlijk elders zijn oorspronkelijk familiegoed had. Waar het patrimoniale bezit van Erenfried heeft gelegen is niet na te gaan.
Er zijn aanwijzingen dat graaf Erenfried en Adelgonde het bezit uit een erfenis hebben moeten delen met de Saliërs en de Matfrieden. Na de confisquatie van de bezittingen van de broers Gerard en Matfried in 906 werd omstreeks 947 een deel hiervan verworven door de Saliërs. Aangenomen mag worden dat de Saliërs in de omgeving van Alzey en de Wormsgouw al vroeg gegoed waren.  Een deel van de goederen, dat in 985 aan het al rijke bezit van hertog Otto "van Worms" werd toegevoegd, komt door Mathilde, de echtgenote van Otto’s zoon Koenraad, in handen van haar kleindochter Mathilde van Toscane. Deze goederen rond Kaiserslautern heeft koning Hendrik IV in 1081 verworven door alle bezittingen van Mathilde van Toscane benoorden de Alpen te confisqueren en voorts heeft keizer Hendrik V zichzelf in 1111 aangewezen als erfgenaam van al haar bezittingen. In 1107 was daar al het leen te Alzey van graaf Hendrik van Zutphen bijgekomen.   Concluderend moet worden gesteld dat er geen enkele aanleiding is om aan te nemen dat graaf Erenfried de stamvader is van de latere paltsgraven en net zo min zijn deze palts-graven door hem in het bezit gekomen van een leen te Alzey. 
Ook een opsomming van het eigen bezit van de familie van paltsgraaf Herman geeft geen aanleiding hen in verbinding te brengen met rechten in Alzey of in de omgeving daarvan. Na het huwelijk van zijn zoon Ezzo met Mathilde, de dochter van keizer Otto II en de Byzantijnse prinses Theophanu, wordt het moeilijk om vast te stellen welke bezittingen uit hun eigen erfenis kwamen of welke behoorden tot de bruidsgift van Mathilde. Zoals Klotten dat door koningin Richeza aan Brauweiler werd geschonken en in 814 nog fiscaal goed was. Dit zal ook gelden voor Cochem dat zij met de voogdij over Klotten schonk aan paltsgraaf Hendrik. Zeker was dit geen paltsgrafelijk ambtsbezit, zoals vaak wordt beweerd. In dat geval had koningin Richeza er niet over kunnen beschikken.

Een familieband van paltsgraaf Herman met de paltsgraven Godfried of Widerich is even-min waarschijnlijk. Geen enkel gegeven wijst in die richting. Ook de afkomst van palts-graaf Herman van graaf Erenfried, wiens rechten te Alzey door keizer Arnulf werden ingetrokken, is niet aan te tonen door middel van contemporaine bronnen.
Een verwantschap tussen de voorouders van paltsgraaf Herman en de Konradijnen is meer voor de hand liggend. Het is zelfs zeer waarschijnlijk, maar het kan niet worden bewezen.

Uit de oorkonden aangaande de stichting van het klooster Ravengiersburg in 1072 blijkt dat graaf Berthold (van Stromburg) de eigenaar is van goederen en van de kerk in Alzey en ondermeer bezit heeft in Rockenhausen. Het zijn plaatsen waar ook de Saliërs hun erfgoederen hadden. Opmerkelijk is ook het bezit van graaf Berthold in Enkirch, waar ook koningin Richeza en paltsgraaf Willem over goederen beschikten. Door het huwelijk van Hezelin, de broer van paltsgraaf Ezzo en oom van koningin Richeza, met een vermoedelijke zuster van keizer Koenraad II, een kleinzoon van de Saliër hertog Otto "van Worms", zijn enkele Salische bezittingen in handen gekomen van Hezelins erven. Het is niet ondenkbaar dat de vader van graaf Berthold een dochter van graaf Hezelin heeft getrouwd.

Op 3 augustus 1101 vindt te Kaiserswerth een bijeenkomst plaats waar naast keizer Hen-drik IV tal van kerkelijke en wereldlijke hoogwaardigheidsbekleders aanwezig zijn. Zij worden als getuigen genoemd in een door de keizer uitgevaardigde oorkonde voor de abdij van Prüm waarbij graaf Hendrik van Limburg het goed "Prumizfelt" aan deze abdij teruggeeft.
De lijst van wereldlijke getuigen wordt aangevoerd door hertog Magnus van Saksen. Als eerste grafelijke getuige wordt Ottone de Sutphem genoemd, vóór Gerard van Wassenberg, Dirk van Tomburg, Adolf van Berg, Gerard van Gulik, Werner van Grüningen, Hendrik van Dietz, alsmede Berthold, de zoon van de voogd van Prüm, graaf Berthold. Dit is de eerste maal dat een Zutphense graaf als zodanig in een oorkonde wordt vermeld.
Enkele jaren later, januari 1103, is graaf Otto van Zutphen, wederom als eerste grafelijke getuige, aanwezig bij een goederenruil tussen Anselm, de proost van St.-Stephanus te Mainz en Tietzlinus, de proost van het klooster Ravengiersburg. Hierbij deed Tietzlinus afstand van de kerk van Alzey. Ditmaal getuigt Otto in gezelschap van paltsgraaf Siegfried, graaf Berthold van Nürings en woudgraaf Emicho.

Indien het standpunt gehuldigd wordt dat de graven van Zutphen het rijksleen Alzey door een nalatenschap uit het paltsgrafelijke bezit hebben verworven is het echter verwonderlijk dat bij de ruil van dit rijksleen in 1107 paltsgraaf Siegfried van Ballenstedt als getuige ontbreekt, terwijl het toch gaat om een goed dat in zijn ambtsgebied zou liggen en van belang zou kunnen zijn voor de afronding van zijn eigen bezit. Het is dan ook de vraag of het gebied rond Alzey wel tot de invloedssfeer van de paltsgraaf of diens voorgangers heeft behoord. Maar de afwezigheid van de paltsgraaf kan ook te maken hebben met een bedoeling van de keizer om met deze ruil zijn eigen verspreide familiebezit in dit deel van het Rijnland verder uit te bouwen.

De vroegste verbinding tussen Alzey en het paltsgrafelijk bezit dateert overigens eerst uit de periode 1194-1198. Dit terwijl hertog Frederik II van Zwaben, de vader van paltsgraaf Koenraad (1156-1195), wordt geacht in 1125 met de bouw van een grote burcht te Alzey te zijn begonnen. Deze hertog verbleef meerdere malen te Alzey en overleed daar op 4 april 1147. Hertog Frederik II is de broer van koning Koenraad III en hij is de vader van keizer Frederik I "Barbarossa". In de "Gesta comitis Ludewici" wordt graaf Lodewijk III van Arnstein een verwant van hertog Frederik II genoemd. Na het overlijden van keizer Hendrik V is hertog Frederik II de belangrijkste erfgenaam van diens allodiale bezittingen. Gezien het voornemen van keizer Hendrik V om zijn bezit aan dit deel van de Rijn uit te breiden zal ook het voormalig rijksleen Alzey, na 1107 als allodium aan zijn bezittingen toegevoegd, tot deze nalatenschap hebben behoord. Een deel van deze nalatenschap zal de zoon van hertog Frederik II, paltsgraaf Koenraad, hebben verworven.
Het voorgaande wekt niet bepaald de indruk dat Alzey al vanaf het begin van de tiende eeuw een belangrijke bezitting van de paltsgraven is geweest. De graven van Zutphen zijn daarom op een andere wijze aan het rijksleen aldaar gekomen dan algemeen wordt ver-ondersteld. Hun daaraan gekoppelde en veronderstelde afstamming van de Lotharingse paltsgraven mag hiermee terecht in twijfel worden getrokken.

Hier moet dan ook speciaal worden gewezen op de oorkonde uit 1072 waarin graaf Lode-wijk I van Arnstein (de vader van Jutta, de tweede vrouw van graaf Otto “de Rijke” van Zutphen) als getuige zijn medewerking verleent bij de schenking van de kerk van Alzey aan het Christophorusaltaar van de kapel te Ravengiersburg. Twee jaar later bekrachtigt aartsbisschop Siegfried van Mainz de stichting - door graaf Berthold van Stromburg en zijn vrouw Hedwig, een verwant van de aartsbisschop - van het klooster Ravengiersburg en bevestigt zijn bezittingen waaronder die te Alzey met haar tienden en overige rechten, urbs et ecclesia in loco Alceia cum dote et decimatione illuc pertinente. De urbs en de (St.Georgs)kerk waren gelegen op de grondvesten van een voormalig Romeins castellum.
De schenking van de kerk van Alzey aan Ravengiersburg geschiedt met instemming van gravin Kunigonde, de weduwe van graaf Emicho, en de mede-erfgenamen Arnulf en Bertram. De formulering van de stichtingsoorkonde en de medewerking van de erfgena-men doet vermoeden dat graaf Berthold en zijn vrouw Hedwig kinderloos waren. Gravin Kunigonde is wellicht de zuster van graaf Berthold van Stromburg en haar man Emicho is de gelijknamige graaf in de Nahegouw. Een zoon van dit echtpaar, graaf Berthold van Nürings, treedt bij de ruilovereenkomst in 1103 op als voogd van het klooster Raven-giersburg. Samen met zijn broer woudgraaf Emicho tekent hij na graaf Otto "de Rijke" van Zutphen de schriftelijke weerslag van deze ruilovereenkomst. Dit gezamenlijke optreden kan worden gezien als een familieaangelegenheid en duidt op een verwantschap, waarvan de oorsprong moet worden gezocht bij de familie van graaf Berthold van Strom-burg.
De mede-erfgenamen Arnulf en Bertram, die in de oorkonde van 1072 worden genoemd, zijn wellicht zonen van een andere zuster van graaf Berthold. Zij zijn mogelijk broers van graaf Lodewijk I van Arnstein, die bij deze gelegenheid als getuige optreedt. De broer Arnulf kan worden geïdentificeerd met de gelijknamige voogd van de stad Koblenz, waar hij in die functie zal worden opgevolgd door zijn neef (oomzegger) graaf Lodewijk II van Arnstein. Arnulf en Bertram waren belanghebbenden bij voornoemde transactie aan-gaande de kerk van Alzey en dit belang zal, net als de voogdij van Koblenz, in handen zijn gekomen van de erfgenamen van hun broer, graaf Lodewijk I, waaronder diens jongste dochter Judith (Jutta). Deze gang van zaken wordt bevestigd door de opsomming van bezittingen van graaf Lodewijk III van Arnstein in de "Gesta comitis Ludewici". Onder deze bezittingen bevindt zich wel de jurisdictie over Koblenz, maar ontbreekt een verwij-zing naar enig recht in de directe omgeving van Alzey. Dit laatste zal inmiddels naar andere erfgenamen zijn overgegaan en ook niet meer in het bezit zijn geweest van de tussen 1095 en 1110 optredende graaf Lodewijk II van Arnstein.
Het zal geen toeval zijn dat zowel graaf Lodewijk I, de vader van Jutta, als graaf Otto "de Rijke" van Zutphen aanwezig zijn bij de verschillende overeenkomsten betreffende de kerk van Alzey. Wellicht heeft er ten aanzien van de kerk van Alzey voor beiden een bepaalde betrokkenheid bestaan. In dit licht moet ook het ingewikkelde beding worden be-schouwd in de koninklijke oorkonde aangaande de belening in 1107 van het Friese graafschap in ruil voor het rijksleen Alzey. Er wordt daarbij een uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt, dat ingeval Hendrik zonder erfgenamen overlijdt het Friese graafschap aan graaf Otto zal overgaan, indien deze nog in leven is.
De achtergrond wordt gevormd door de te reconstrueren huwelijksverbindingen.
Daarbij blijkt dat in de "Gesta comitis Ludewici", de levensbeschrijving van de in 1185 overleden graaf Lodewijk III van Arnstein, het huwelijk vermeld wordt van een van de zeven zusters van zijn vader, die in Sutphaniensem transiit comitiam een Zutphense graaf huwde.
Het blijkt hierbij te gaan om Judith (Jutta), de jongste Arnsteiner dochter. Zij is de tweede echtgenote van graaf Otto “de Rijke” van Zutphen en de stiefmoeder van graaf Hendrik.
Via haar zal het niet nader omschreven leen te Alzey aan Zutphen zijn gekomen.
Dit dus in tegenstelling tot veel gangbare literatuur, waarin de verwijzing naar het voor-malig eigendom van graaf Erenfried in 897 en de ruilovereenkomst uit 1107 tussen koning Hendrik V en graaf Hendrik van Zutphen kennelijk moet gelden als het overtuigende bewijs voor de aanname dat Ludolf, de oudste zoon van paltsgraaf Ezzo, gehuwd met Mathilde, een dochter van graaf Otto “van Zutphen”, in het bezit zou zijn geweest van het leen te Alzey. Door een dochter van Ludolf en Mathilde - wier bestaan niet wordt aangetoond - zou dit leen aan de familie van graaf Hendrik zijn toegevallen.

Volgens een grafschrift in de abdij van Brauweiler zou Ludolf, de zoon van paltsgraaf Ezzo en Mathilde, de dochter van keizer Otto II, gehuwd zijn met Mathildis Ottonis Zutphaniae comitis filia. Ludolf overleed op 11 april 1031.
De geschiedenis van de abdij en zijn stichters wordt uitvoerig beschreven in de "Fundatio monasterii Brunwilarensis". Ook daarin wordt beweerd dat Ludolf met Mathilde, de dochter van graaf Otto “van Zutphen” huwde, en bij haar twee zonen had, Hendrik en Cuno, die kinderloos zouden sterven.
De familieverhouding wordt dus aldaar zo weergegeven, niet meer en niet minder. Uit niets blijkt hier dat Ludolf en Mathilde een dochter of dochters hadden, laat staan dat een van deze dochters met Godschalk, de latere “heer” van de nederzetting Zutphen huwde. Net zo min is aan te tonen dat Ludolf ooit graaf van Zutphen is geweest. Hooguit valt aan andere bronnen de redenering te ontlenen dat er misschien een dochter is geweest, die gehuwd kan zijn met graaf Elle (Alveric) van Reinhausen, en daarmee de grootmoeder werd van koningin Sophia (de echtgenote van tegenkoning Herman, 1081-1088).

In een (valse) oorkonde van 1059 worden graaf Godschalk, zijn echtgenote Adelheid en hun kinderen Gebehard en Otto als opvolgers genoemd van de heren van Zutphen. Naar aanleiding van de uitdrukkelijke vermelding van Adelheid is opgemerkt dat dat alleen mogelijk is geweest indien zij deze heerschappij bij haar huwelijk heeft ingebracht.
Omdat Ludolf, de zoon van paltsgraaf Ezzo, huwt met Mathilde, een dochter van graaf Otto “van Zutphen” en aangezien de tweede zoon van Adelheid de naam Otto draagt en deze kennelijk zijn moeder in het Zutphense is opgevolgd, moet er rekening mee worden gehouden dat Adelheid een zuster van Mathilde kan zijn geweest.

De herkomst van graaf Otto ”van Zutphen”, de schoonvader van Ludolf, zoon van paltsgraaf Ezzo, kan helaas nog niet duidelijk worden aangegeven. Hij zou geleefd én opgetreden moeten hebben omstreeks 1000. Dus ten tijde van de turbulente wederwaardigheden van Adela “van Hamaland” en haar man graaf Balderic in de betreffende regio. Hij zou dan in relatie moeten staan met de Zutphense tak van de graven van Hamaland. Daarvan is echter niets bekend.

In deze studie is geprobeerd aan te tonen dat er geen directe verbindingslijn loopt – qua familierelatie en bezittingen – tussen de Lotharingse paltsgraven en de graven van Zutphen, zoals traditioneel afgeleid wordt uit de overdracht van het rijksleen Alzey in 1107. Het bezit in Alzey kwam aan Zutphen door het tweede huwelijk van graaf Otto “de Rijke” met een dochter van de graaf van Arnstein. Dat stamde dan weer uit de erfenis van graaf Berthold van Stromburg (Ravengiersburg) die wel met Alzey in verbinding kan worden gebracht.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten